Is het geoorloofd belasting te betalen? De boodschap op de munt

De vraag… is het geoorloofd om belasting te betalen?

Is het geoorloofd om belasting te betalen? Dit is de vraag die de farizeeën en herodianen aan Jezus stelde een paar dagen vóór Zijn kruisiging.

Jezus Zijn antwoord “geef dan wat van de keizer is aan de keizer, en geef aan God wat God toebehoord” is door sommigen geïnterpreteerd als een briljante manier om de strikvraag te omzeilen – door geen definitief antwoord te geven. Terwijl anderen het hebben geïnterpreteerd als Zijn goedkeuring om belasting te betalen aan de keizer en tegelijkertijd een tiende aan de tempel te betalen – om God te aanbidden, maar ook om de belastingen aan Rome te betalen.

Beide interpretaties laten me ontevreden, en leggen niet uit hoe Jezus Zijn antwoord ervoor zorgde dat de farizeeën en herodianen zich verbaasden – deze verbazing laat zien dat Jezus Zijn antwoord ongelooflijk diepgaand was.

Ik geloof dat de diepgang van Zijn antwoord is dat het de weg naar vrijheid laat zien – een verlangen die diep zat bij elke eerste-eeuwse Judese.

Vrijheid was een hot topic in Jeruzalem in de eerste eeuw, het lag aan de basis van veel van de gewelddadige opstanden die destijds tegen de Romeinse bezetters plaatsvonden.

Vrijheid was toen een hot topic, en vandaag de dag is het ook nog steeds zo. En dat maakt deze vraag verrassend relevant voor onze tijd.

Wie stelde de vraag?

Het waren de farizeeën en herodianen die de vraag stelden. Deze mannen zaten normaal gesproken niet op één lijn omdat ze tegengestelde wereldbeelden hadden.

De farizeeën waren de religieuze leiders. Ze waren nationalistisch en wilden een einde zien aan de Romeinse bezetting. Dit dachten ze te bereiken door religieuze zuiverheid, en daarom belastten ze de mensen met aanvullende wetten.

Terwijl de farizeeën een einde zochten aan de Romeinse bezetting, waren de herodianen bereid om compromissen te sluiten. Ze hoopten op de terugkeer van de herodiaanse heerschappij in Judea en geloofden dat dit kon worden bereikt als er een langdurige periode van vrede met Rome was. Het laatste wat ze wilden, was de komst van een Messiasfiguur die een opstand zou kunnen veroorzaken waardoor Rome haar greep zou verstevigen.

Zowel de farizeeën als de herodianen waren tegen Jezus en wilden Hem uit de weg hebben. Het was op dit gemeenschappelijke grond dat ze hun valstrik formuleerden om Hem met hun vraag te strikken.

Wat waren de mogelijke antwoorden op de vraag?

Als Jezus deze vraag had beantwoord door te zeggen “ja, het is geoorloofd om belasting te betalen”, zouden de farizeeën Hem als een compromitterende persoon hebben bestempeld – iemand die ondanks al Zijn gepraat geen echt plan had voor de inauguratie van het Koninkrijk, en dit zou Zijn positie onder Zijn volgelingen ernstig hebben beïnvloed.

Maar als Hij hun vraag had beantwoord door te zeggen “nee, het is niet geoorloofd”, dan zouden de herodianen Hem met spoed hebben laten arresteren op beschuldiging van opruiing tegen Rome.

Jezus lijkt hier geen uitweg te hebben. 

Maar het antwoord die Jezus gaf, omzeilde de kwestie van de rechtmatigheid van belastingheffing, en raakte juist de kern van de kwestie die achter de vraag schuilging. 

Laten we de belasting onderzoeken

De belasting in kwestie was een heel specifiek soort belasting. Het was een hoofdbelasting – een zeer omstreden belasting in Judea.

Het was een voortdurende herinnering aan de Romeinse bezetting – dat je tot het rijk behoorde en haar eigendom was.

Dit was zeer beledigend voor de Judeeërs. Ze geloofden dat ze Gods eigendom waren. Ze waren geschapen naar Zijn beeld, uit het stof van de aarde, en waren Zijn speciale volk.

Als erkenning van Gods aansprak op eigendom, betaalde mannen jaarlijkse een halve sikkel zilver aan de tempel in Jeruzalem.

Het opleggen van een hoofdbelasting door Rome werd gezien als een directe uitdaging voor de legitimiteit van de God van Israël.

Jezus beantwoordt de vraag die Hem wordt gesteld door de aandacht te vestigen op de munt die voor de betaling van de belasting wordt gebruikt.

Het antwoord verborgen op de munt

In de eerste eeuw was er geen massamedia … er waren geen drukpersen, geen Facebook. Dus een manier waarop propaganda door het hele rijk werd verspreid, was door het gebruik van munten.

Munten werden verspreid naar de verste uithoeken van het rijk en waren langdurig… en dit zorgde ervoor dat de Keizers boodschap wijd en zijd verspreid zou worden.

De Romeinse belasting kon alleen worden betaald met een Romeinse munt, en deze munt was een denarius uitgegeven door Keizer Tiberius.

Aan de ene kant van de munt ziet men een buste van de keizer zelf, met de inscriptie ‘Zoon van de goddelijke Augustus’, terwijl op de keerzijde de tekst ‘Hogepriester’ staat.

Hier identificeert de keizer zichzelf als zowel de zoon van God en de hogepriester.

Dit alles maakte deel uit van het Romeinse evangelieverhaal dat beweerde dat de keizer – als de zoon van God, de koning van de wereld was geworden en vrede, gerechtigheid en welvaart voor iedereen had gebracht.

Het gebruik van deze munt bevestigde de boodschap die Rome verkondigde – dat economische welvaart en veiligheid afhankelijk was van de keizer – de zoon van God.

Deze bewering was natuurlijk godslasterlijk voor de Judeeërs, die zelf de komst van de Messias, de ware zoon van God, verwachtten.  

Hoe Jezus de vraag beantwoordt

Bij het aanbieden van de munt stelt Jezus een vraag aan de farizeeën en herodianen. Hij vraagt: “Wiens is dit beeld en het opschrift?”

In onze westerse context denken wij dat Jezus de farizeeën en herodianen vraagt om te identificeren wat ze op de munt zien. Echter, Hij stelt niet alleen een vraag maar Hij gebruikt een remez.

Remez is een semitisch woord dat betekend een ‘terugluisteren naar iets dat geen verdere uitleg nodig heeft‘. Moderne voorbeelden van remez in onze cultuur zijn uitdrukkingen zoals ‘het Witte Huis’ , ‘de Koude Oorlog’, ‘9-11’ of ‘anderhalvemetereconomie’. Dit zijn woorden en uitdrukkingen met historische, emotionele en politieke betekenissen die universeel worden begrepen. We kunnen deze uitdrukkingen gebruiken als een vorm van steno, zonder dat we hun volledige definities hoeven uit te leggen.

De eerste eeuw Judeeërs hadden een goed begrip van de Hebreeuwse Geschriften, dus toen Jezus de remez sprak, werd Zijn verwijzing naar de Hebreeuwse Geschriften duidelijk begrepen.

Door te vragen wiens beeld op de munt staat, benadrukt Jezus het tweede gebod waarin het creëren van valse beelden en gelijkenissen verboden word. En verwijzend naar de tekst op de munt als opschrift verwijst Hij naar de Shema, de grootste van de geboden, die op het hart moet geschreven worden van elke Israëliet,

“Luister, Israël: de HEERE, onze God, de HEER is de enige.”

Deuteronomium 6:4

Door het gebruik van remez was er geen twijfel mogelijk over het antwoord volgens het Woord van God – betaling van deze belasting aan de keizer zou inderdaad ongeoorloofd zijn.

Wordt vervolgd…

In de volgende aflevering zullen we onze ontdekking van dit evenement voort zetten en zullen we overwegen wat Jezus bedoelde toen Hij zei: “geef dan wat van de keizer is aan de keizer, en geef aan God wat God toebehoord.” Wat bedoelde Jezus hiermee, aangezien dat het betalen van de belasting volgens het woord van God niet geoorloofd is?

Pin It on Pinterest

Deel dit